Borstelmakerij en haarsoorten

In de borstelmakerij werd trekwerk, pekwerk en draadwerk bedreven. Met het woord borstel wordt bedoeld, in engere zin, varkenshaar. Wij gebruiken het woord borstel voor zowel de haren als voor borstelsoorten. Als grondstoffen voor de diverse borstels komen dierlijke en plantaardige haarsoorten in aanmerking. Dierlijke haarsoorten bezitten een grote elasticiteit en zijn van nature glad en glanzend. Bij verbranding geven ze een schroeilucht. Plantaardige vezels zijn meestal dof, maar kunnen door gepoetst te worden, glanzen. Bij verbranding geven ze een witte as. Ook de haren van dashaar voor scheerkwasten en struisvogelveren voor plumeaus kunnen worden gebruikt.

Stansen

De haren en vezels worden bevestigd in hout (voor bezems en boenders) of tussen verzinkt ijzer- of koperdraad (voor tuitenragers en flessenwissers). De bevestiging van de haren of vezels in hout gebeurde machinaal (stansen). De machine neemt een dubbelgevouwen bosje (ook wel ‘stop’ genaamd), deze wordt met een ijzerdraad (soort nietje) in het gat gedrukt (gestanst).

Trekwerk

Dit wordt met de hand gedaan. We boren tapse gaten in het hout; door en door. We nemen nu een stuk draad (koper of verzinkt ijzerdraad) en steken het dubbelgevouwen draad door het gat. Er ontstaat een lus waar het haar of vezel dubbelgevouwen (het haar tweemaal zo lang) door komt. Men vouwt de stop tesamen en trekt de stop in het gat. Zo gebeurt dit met alle gaten. Het is kostbaarder dan machinaal gemaakte borstels.

Het wordt alleen nog gedaan voor speciaal borstelwerk (haar- en kleerborstels met een zilveren of koperen beslag). De haren worden met de kop in het gat getrokken of gestanst.

Het trekken van borstelwerk ging als volgt. Men nam het in te trekken hout en plaatste dit in de bankschroef. Deze bankschroef had een bepaalde vorm. Het was niet vlak van boven, maar had op elk segment twee rechtopstaande plaatjes, waartussen het hout werd geklemd. Ging men aan het trekken, dan werd het uiteinde van de draad in een van de gaten bevestigd. Er werd een lus in de draad gemaakt en deze in het gat gestoken, sodat deze aan de achterkant te voorschijn kwam. Door deze lus ging dan het bosje haar of vezel heen.

Op de helft werd dit naar elkaar gevouwen en teruggetrokken in het gat. Hetzelfde ging bij alle volgende gaten. Was zo’n bezem of luiwagen klaar, dan werd er een dekplaatje op het draad gespijkerd.

Pekwerk

Het pekken van de borstels ging als volgt. Men had een vierkant tafel met zink bekleed en in het midden een rond gat. In dit gat (lager dan het tafelblad) was een verwarmingsapparaat. In ons geval een gasbrander. Op het gastoestel stond een roodkoperen pan met pek, met twee afstrijkstrookjes aan de kant. De pek moest goed vloeibaar zijn.

Op de tafel (met zink) lag het haar of vezel. Door de gasbrander werd het zink warm, het uitgespreide haar werd dan extra droog, zodat het gemakkelijk de pek kon vasthouden. Daar haar glad is, gebruikt men fijngemalen krijt om de haren wat stroever te maken, zodat men het beter vast kon houden.

Een plukje haar, we noemen dit een stop, werd in de pek gedoopt. Op het afstrijkstrookje werd de overtollige pek afgestreken. Om de stop werd een katoenen draadje (‘drum’) gewikkeld, om het haar bijeen te houden, weer in de pek gedoopt, niet afgestreken en in het gat van het houtje gedrukt. Daar de pek hard werd, bleef het bosje haar (stop) vastzitten.

Diverse borstels en bezems werden gepekt, namelijk kamerbezems, handstoffers, witluiwagentjes, langsteelstoffers, plumeaus ingezet met paardenhaar. Alvorens de plumeaus werden gepekt, werden eerst de steeltjes gepolitoerd.

Gedraaid werk

Behalve trek- en pekwerk is er ook nog het gedraaide werk. Deze zogenaamde wissers; tuiten- flessen- en radiatorenwissers worden gemaakt van metaaldraad. Men slaat (knipt) een bepaalde lengte draad af. De dikte van het draad hangt af van het te gebruiken doel. Men vouwt de draad dubbel, zodat de beide einden even lang zijn. De uiteinden worden geklemd in een speciale bankschroef en het andere einde (met de lus) komt om een haak. Het haar wordt tussen de beide draden gelegd en door aan een wiel te draaien, strengelen de draden zich om elkaar een en klemmen zodoende het haar vast. Men kan er ook nog een bocht in maken (bijvoorbeeld voor zuigflessen).

In de borstelmakerij werden verschillende soorten borstels vervaardigd. Niet alleen voor huishoudelijk gebruik, maar ook voor de industrie. Huishoudelijke borstels zoals afwaskwasten, kleerborstes, schoenborstels, haarborstels, tafelschuiers, handstroffers, kamerbezems, straatbezems, katoenen zwabbers, diverse soorten kwasten voor de industrie, fabrieksstoffers. Vroeger werden ook reparaties uitgevoers van borstels voor de diverse industriën en huishoudelijk gebruik (haarborstels en kleerborstels).

Haarsoorten; be- en verwerking

Het haar dat wordt gebruikt, is merendeels inheems, Chinees varkenshaar. Haar van varkens, paarden (staart- en maanhaar), geiten, dassen en wilde zwijnen. De diverse soorten moeten eerst goed behandeld worden. Alvorens dit haar gebruikt kan worden moet het diverse bewerkingen ondergaan. Het haar van geslachte varkens werd overgoten met kokend water en werd het haar van het vel geschraapt. In dit haar bevonden zich nog vele ongerechtigdheden, zoals velle, tenen en vroege loden oormerken.

Wanneer het haar aankwam, werd het ter droging op horren uitgespreid en bestrooid met naftaline-schubben (afkomstig van steenkool) tegen de vraatzuchtige motten.

Nu moet het haar nog verder worden bewerkt. Het krijgt een flinke wasbeurt, zodat alle vuil en vettigheden verdwenen zijn. De halve bossen nat haar werden te drogen gelegd in een droogoven. Soms ging het nog vochtige haar, in een gesloten zwavelkast, om te zwavelen. De zwaveldampen ging door de hele kast en die zorgden ervoor dat het haar werd gebleekt.

Al het haar werd gebleekt. Dit haar was bestemd voor bijvoorbeels haarborstels, kleerborstels en kwasten. Wanneer de bossen haar klaar waren, ging het naar de werkbank om verder behandeld te worden.

Het haar werd diverse malen gehekeld en weer tot een bos samengebonden. Het was een bos haar bestaande uit verschillende lengten. Nu werden eerst de langste haren eruit verwijderd en opzij gelegd, daarna de minder langere, todat de bos een bepaalde lengte had. Zo ging het door tot al het haar was verwerkt. De opzij gelegde bosjes uitgezocht haar werden ook weer bijeengebonden, zodat je bosjes haar had van verschillende lengtes.

Men had die diverse lengtes nodig voor verschillende doeleinden. Voor een witluiwagentje had men kortere haren nodig, dan voor een witte kwast, hier moest het haar lang zijn. Vandaar al dat sorteren. Voor borstels of kwasten voor het ruwere werk werden gemengde haren of vezels gebruikt.

Een gedeelte van het haar was gemengd met plantenvezel. Had men een hardere borstel of kwast nodig voor speciaal werk, dan werd het haar gemengd met gespleten ganzenpennen. Voor zeer speciaal werk voor industriële doeleinden, werd gebruik gemaakt van gespleten walvisbalein. Heden ten dagen wordt dit niet meer gebruikt omdat men hiervoor kunstvezels gebruikt die men zeer hard kan maken.

Om terug te komen op het haar; haar heeft een kop en een bles. De kop van het haar zit in de huis en de bles zit aan het uiteinde, dus wat je gewoon ziet. Er is nu een eigenaardigheid dat haar van varkens een bijzonderheid hebben. Namelijk de uiteinden van de bels. Het haartje is gespleten. Als het hele haar is gebruikt, kan men dit soms zien. Dus niet wanneer het is afgeknipt. Of het nu inlands varkenshaar betreft of Chinees varkenshaar, Russisch of wildzwijnenhaar, al het varkenshaar is gespleten.