Het Begin

Hendrik Jan Nijbroek was in 1860 de grondlegger van de zaak Nijbroek. Hij was meester-kuiper en het bedrijf was eerst gevestigd in de Korte Bisschopstraat in Deventer. Op 7 maart 1898 kocht hij het pand op Menstraat (toen nog) 5. In de Menstraat werd in het achterhuis de werkplaats ondergebracht en aan de voorkant kwam de winkel. Later werd de werkplaats naar de Bergstraat 51 verplaatst. Daar waren de borstelmakerij, de zeeftenmakerij en de haardoekweverij gevestigd. De kuiperij was in een pand aan de overkant.

De Kuiperij

Het kuipwerk: tonnen, waskuipen, inmaakvaten, privaattonnen enz. werden niet alleen gebruikt in Deventer en omgeving, maar ook in de rest van de provincie Overijssel en Gelderland. Eenmaal per jaar, meestal in september, ging er een wagen, door paarden getrokken, met vaten en tonnen naar de Bising (een jaarmarkt) in Enter, Rijssen, Wierden en Almelo.

Niet alleen het gewone kuipwerk werd gemaakt, maar ook het zogenaamde fijnere werk, zoals houten dienbladen, tabakspotten, asbakken en bloemkuipjes. Zelfs een karnstelletje op een rond blaadje dat bij een melkveeboerderij behoorde. Ook werden botervaatjes verwerkt en opgeknapt. Rond de botervaatjes zaten geen ijzeren banden, maar banden van een soort teen.

Nieuwe vaten werden meestal gemaakt van eiken-, vuren- of grenenhout. Een vat bestaat uit duigen, een bodem en een deksel. De duigen moeten gezaagd, gekapt en geschaafd worden. Om een vorm van een ton te krijgen, werd een vat waar noch bodem, noch deksel op zat van binnen doorgemaakt door er binnenin een vuurtje aan te leggen, zodat het hout kon krimpen. Dan werden de banden er omheen geslagen om de duigen bijeen te houden. Met een speciale schaaf werd aan de boven- en onderkant een groef geschaafd voor deksel en bodem.

Deze werden aan de rand iets schuin geschaafd, zodat deksel en bodem erin vielen. Dan werd daaromheen een band geslagen om het geheel goed bij elkaar te houden. De banden werden er zo omgeslagen, dat het vat niet kon lekken. Mocht op de boerderij een vat of kuip door de droogte toch gaan lekken door krimp van het hout, dan werden deze weer nat gemaakt. De boeren die langs water woonden, gooiden hun wasbakken of andere houten vaten in het water wanneer het hout gekromoen was en er lekkage was ontstaan. Door het water zette het hout weer uit en was de kuip weer waterdicht.